|
|
|
KOPPIGHEID In het begin van mijn loopbaan als marketingadviseur kon ik bedrijven alleen overtuigen om met mij te werken op basis van no-cure-no-pay. Dat betekende dat ik naast een kleine onkostenvergoeding werkte op een percentage van de meeromzet. Het leek ook dat klanten pas durfden over te schakelen op ‘die ongebruikelijke marketing’ als ze werkelijk wanhoopten. Het waren spannende tijden, vooral omdat ik, in tegenstelling tot de meeste andere consultants, begonnen was zonder één enkele klant. Ik had een telefoon, in de slaapkamer, wat briefpapier, een auto en heel wat mensen die me gek verklaarden. Daardoor was het vaak vechten en moest ik meer dan eens ook de reorganisatie-ervaring die ik had opgedaan bij Unilever in de strijd gooien. Ik werkte zo met autoschadeherstellers, opticiens, handtassenfabrikanten, kappers, informaticabedrijven, aluminiumbewerkers, … Die tijd was stresserend, maar gaf ook veel voldoening omdat je werkelijk het verschil maakte en er kwam positieve mondelinge reclame die mij aan de gang hield. De enige negatieve noot was dat bedrijven die uiteindelijk mijn commissie met tegenzin zagen groeien en geconfronteerd werden met hun eigen beperktheden vonden ‘dat ik wel erg veel geluk had dat ik net op het dieptepunt gekomen was.’ De eerste keer dat je zoiets hoort, ben je daar kapot van. De derde keer kan je alleen maar meewarig je hoofd schudden. Mijn klanten uit die tijd zijn nu stuk voor stuk vermogend. Ik zeg niet dat er een oorzakelijk verband is, maar het is wel een feit. Onlangs werd ik door twee krantenberichten herinnerd aan een aantal voorstellen die ik in die periode spontaan had aangeboden aan enkele bedrijven. Zo had ik een plan ontwikkeld voor de rentabilisering van de Zoo van Antwerpen en het Dierenpark Planckendael. Zij leden toen een licht verlies en met mijn ideeën wist ik dat ik hen rendabel kon krijgen, zonder afbreuk te doen aan hun principiële waarden, zelfs integendeel door de versterking ervan. De toenmalige Directeur-Generaal, de heer Zaman, vond dat zij het prima deden, waarna de volgende jaren hun verlies enorme proporties aannam. Exit Mijnheer Zaman en de Zoo is nu afhankelijk van overheidssteun, las ik in de krant. Een ander plan had ik spontaan ontwikkeld voor de Alma studentenrestaurants van de Katholieke Universiteit Leuven. Met weinig kosten konden we de Oost-Europees aandoende eettenten omvormen tot boeiende ontmoetingsplaatsen, geheel gericht op de eigenaardigheden van de student. Hun marketingmanager voelde er wel wat voor, maar stuitte op een njet van zijn baas, de algemene directeur, die stelde ‘dat hij voor dit soort dingen toch al een marketing manager had’. Het is sindsdien alleen maar bergaf gegaan met de Alma restaurants. Elk jaar minder maaltijden, elk jaar een groter tekort stond er in de krant. In bedrijven zijn ego’s vaak groter dan de wil om geld te verdienen. |
|