|
| |
HET EEUWIGE DIVERSIFICATIEDEBAT
In de marketingwereld flakkert het diversificatiedebat om de zoveel
tijd weer in alle heftigheid op. Graag draag ik hier mijn steentje aan bij en
waarschijnlijk schop ik alweer tegen wat zere schenen.
Diversificatie gebeurt op drie niveaus.
Het eerste niveau is dat van het merk.
Deze vorm van diversificatie noemen we ook wel eens line-extension. Het
grote voordeel van het plakken van een merknaam op een ander product is dat de
introductie sneller verloopt door de onmiddellijke naambekendheid. Een voorbeeld
hiervan zijn de nieuwe Vichy muntjes, geënt op het bekende water of
Mars, de bekendste reep ter wereld, dat plots ook een soort chocoladedrank
blijkt te zijn. Dat is mooi voor de product manager die alleen wordt
afgerekend op het succes van een product bij de introductie, maar voor de
rest geeft het alleen maar ellende. De kracht van het oorspronkelijke merk
wordt fundamenteel aangetast en het bekendheidseffect werkt maar op korte
termijn. Nog erger wordt het als het nieuwe product niet goed genoeg is, dan
verliest het merk als geheel zijn geloofwaardigheid. Niet doen dus, al gebeurt
het nog dagelijks en niet door de minste bedrijven. Kijk maar naar Bic,
oorspronkelijk bijna synoniem voor balpen, maar de lijst van wat het ook
probeert te zijn of intussen al geweest is, wordt steeds langer: van aanstekers
over parfum tot scheermesjes. Verdienen ze daar meer geld aan dan aan de
balpennen? Helemaal niet en door deze verwarring is een balpen is al lang geen
bic meer. Of neem Virgin, Philips, och ja, de lijst is lang. De
vraag is eerder: wie komt er niet in de verleiding?
De tweede vorm van diversificatie is die op het niveau van
het bedrijf.
Dit gebeurt vanuit de logica dat je de risico’s van een bepaalde sector kan
verminderen door in meerdere branches activiteiten te ontwikkelen teneinde
de continuïteit van het bedrijf te garanderen. Je eieren niet in een mand
leggen, heet het dan in de volksmond. Ook dit is onzin. Een bedrijf heeft
helemaal geen roeping om zichzelf te overleven. Dit kwam goed tot uiting in de
vroegere wetgeving, toen een naamloze vennootschap werd geacht maar 20 jaar te
bestaan. Nu is 20 een arbitrair getal, maar het feit blijft dat een
onderneming maar een beperkte levensduur heeft (dat kan 5 jaar zijn of 200,
afhankelijk van de behoefte die men vervult). Een bedrijf heeft tot doel met de
beschikbare middelen en knowhow het grootste rendement te bieden op een
investering. Diversificatie heeft zelden dat effect, integendeel zelfs.
Voorbeelden hiervan zijn de vele uitstapjes van bedrijven in andere sectoren
zoals Chiquita dat bijna failliet gaat aan zijn investeringen in zijn
blikfabrieken, luchtvaartmaatschappijen die hotels opkopen, Canon die
zowat alles begint te produceren, enzovoort.
Tenslotte is er de diversificatie op het niveau van de
aandeelhouders.
Dit is de enige aanvaardbare vorm van diversificatie die met name
al de vorige overbodig maakt. Het is aan de aandeelhouder om zijn risico te
spreiden en zijn geld te besteden aan een mix van optimaal rendement en beperkt
risico. Op dat niveau zien we dan ook dat diversificatie moet. Daarom mogen
holdings gerust in verschillende sectoren actief zijn, als ze de boel maar niet
verplichten aan elkaar te leveren en ze niet overal hun naam op plakken.
Met beste eindejaarswensen van,
Frank Wouters
|